social

social

social

social

social

Schiphol Amsterdam Airport
Le Carré B, 4de etage
Beechavenue 174
1119 PS Schiphol
T +31 (0) 20 3080 580

Den Haag
Park de Wervelaan 13
2283 TN Rijswijk
T +31 (0) 70 2156 300

E info@blueclue.nl

Laatste Nieuws

Verlengde navorderingstermijn

14-12-2017 – De Belastingdienst kan een navorderingsaanslag opleggen wanneer aanvankelijk te weinig belasting is geheven. De … Lees verder...

Pensioenbesluit aangepast per 1 januari 2018

14-12-2017 – Met ingang van 1 januari 2018 wordt de fiscale pensioenrichtleeftijd verhoogd naar 68 jaar. In verband daarmee heeft de … Lees verder...

150-kilometercriterium ook bij tussentijdse beoordeling 30%-regeling

14-12-2017 – De 30%-regeling is een bijzondere regeling voor uit het buitenland afkomstige werknemers die beschikken over op de … Lees verder...


Actueel

Afzien van stamrecht leidt tot belastingheffing
05-10-2017

Tot 1 januari 2014 was het mogelijk om de belastingheffing over een ontslagvergoeding uit te stellen door de vergoeding in de vorm van een recht op periodieke uitkeringen te gieten. In een dergelijk geval was niet de gehele vergoeding in een keer belast, maar werden de uitkeringen uit het recht belast op het moment van uitkering. Het prijsgeven van het recht op uitkering door af te zien van de uitkeringen leidt tot belastingheffing ineens over de waarde van het gehele recht. 

Bij de beëindiging van zijn dienstbetrekking in 1991 ontving een werknemer een ontslagvergoeding. Die werd in de vorm van een stamrecht ondergebracht in een bv van de werknemer. Volgens de stamrechtovereenkomst zouden de uitkeringen in 2007 ingaan bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd. In 2007 betaalde de bv een deel van de overeengekomen jaarlijkse stamrechtuitkering. Daarna deed de bv geen betalingen meer uit hoofde van de stamrechtovereenkomst. Omdat de bescheiden stamrechtuitkering uit 2007 niet is gevolgd door nadere stamrechtuitkeringen ondanks dat de werknemer daar gedurende de rest van zijn leven recht op had, oordeelde Hof Amsterdam dat de werknemer zijn aanspraak heeft prijsgegeven. Dat heeft tot gevolg dat de waarde van de aanspraak tot het loon uit vroegere dienstbetrekking moest worden gerekend. De werknemer slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij de aanspraak had prijsgegeven omdat deze niet voor verwezenlijking vatbaar was. Indien en voor zover de aanspraak niet te verwezenlijken was zou het prijsgeven daarvan niet tot belastingheffing hebben geleid.

Omdat op grond van de stamrechtovereenkomst de eerste uitkering in 2007 zou moeten worden gedaan en er in dat jaar een deel van de uitkering waarop de werknemer recht had is uitbetaald, ging het hof ervan uit dat besluit om de aanspraak prijs te geven in 2007 is genomen. Het hof was van oordeel dat de inspecteur de waarde van de stamrechtaanspraak terecht tot het inkomen uit werk en woning over het jaar 2007 van de werknemer heeft gerekend.